|
> Home > Actueel > Archief van actuele berichten > Naardermeer Gered van de Amsterdamsche modderspuitersPrecies honderd jaar geleden deed Amsterdam het voorstel om het Naardermeer te gaan bestemmen als vuilstortplaats. Jac. P. Thijsse kwam in actie.'Ik acht uw idealisme zeer hoog en heb daarvoor groote achting, # doch, wezenlijk, waarde vriend, # de werkelijkheid is anders! Uit ervaring weet ik maar al te goed, dat het enorm veel moeite kost, buitengewone inspanning vordert, om te trachten slechts weinige duizenden guldens bij elkaar te krijgen # voor doeleinden wier nut in veel wijder kring zou werken dan bij den aankoop van het Naardermeer ooit het geval zou zijn.' Aldus Artis-directeur C. Kerbert in een brief aan zijn oud-leerling Jac. P. Thijsse op 30 november 1904. Vijf dagen daarvoor was bekend geworden dat het college van B&W van Amsterdam het oog had laten vallen op het Naardermeer om het te gebruiken als vuilstortplaats.
Actievoeren om het behoud van een natuurterrein was in die tijd nog een volstrekt ongewoon en onbekend verschijnsel in Nederland, maar Thijsse pakte de zaak intuitief goed aan. Hij uitte direct felle kritiek in zijn wekelijkse column in het Algemeen Handelsblad en richtte zich gelijktijdig tot een aantal bevriende, invloedrijke personen met een verzoek om steun. De voorzitter van de ornithologische vereniging, R. Ch. baron Snouckaert van Schauburg reageerde al even sceptisch als Kerbert. Hij schreef: 'Ik voor mij betreur natuurlijk zeer elke verdwijning van mooie natuurplaatsen, maar in dit geval vrees ik, dat er niet veel tegen te doen zal zijn.' In C. Easton, redacteur van het Nieuws van den Dag, vond Thijsse echter wel een medestander: 'Mag ik U mijn hartelijke instemming betuigen met uw streven om het Naardermeer te verdedigen tegen de Amsterdamsche modderspuiters? En nog meer met Uw plan om de zaak hooger op te nemen en den strijd tegen natuurverknoeiing in het algemeen te aanvaarden? Veel steun kreeg Thijsse ook van Eli Heimans die in zijn column in De Groene Amsterdammer zijn collega bijviel en op zijn beurt heftig protesteerde tegen het verloren gaan van het Naardermeer. Heimans en Thijsse zaten beiden in het hoofdbestuur van de Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging. Het voltallig bestuur schaarden zich achter de actie en stuurde een adres aan de gemeenteraad van Amsterdam met het dringend verzoek de voordracht van het college niet aan te nemen. In een uitvoerige toelichting bij het schrijven wees de secretaris H. W. Heinsius niet alleen op de 'natuurhistorische en aesthetische waarde' van het Naardermeer, maar ook op de hygiënische bezwaren die verbonden waren aan vuilstort in de plassen. Het bestuur sloot zich aan bij de voorstanders van vuilverbranding, een oplossing voor het afvalprobleem die blijkens berekeningen nauwelijks duurder zou uitpakken dan die van 'aanplemping'. Ondertussen meldde Thijsse in zijn column in het Handelsblad dat hij wilde beproeven een fonds bijeen te brengen om het Naardermeer te kopen. Met verve somde hij nog eens zijn argumenten op om het natuurgebied te behouden en hield de raadsleden voor dat het misschien wel profijtelijk leek om het stadsvuil over het Meer uit te storten, 'maar de poëtische en wetenschappelijke waarde van Holland vermindert ge voor eeuwig met een niet te schatten bedrag'. De Naardermeer-kwestie kreeg ook in andere bladen veel aandacht en de tegenstand tegen het plan van B&W groeide. Op 14 december kwam het voorstel in behandeling in de raad. De voorstanders van aanplemping van het meer met afval en de voorstanders van vuilverbranding, de hygiënisten', vlogen elkaar in de haren. Er werden felle debatten gevoerd waarbij de argumenten 'van de heer Thijsse en zijn vrienden'overigens nauwelijks naar voren kwamen. Bij de stemming werd het voorstel van B&W op het nippertje, namelijk met 20 tegen 18 stemmen, verworpen. De natuurliefhebbers haalden opgelucht adem, maar beseften tegelijkertijd dat met deze raadsbeslissing de toekomst van het Naardermeer niet definitief veilig was gesteld. Opnieuw was het Thijsse die het voortouw nam. Drie dagen 'na den slag' wees hij in zijn column nog eens op de noodzaak van een krachtig fonds voor het behoud van natuurgebieden. In januari 1905 verkondigde hij in zijn lijfblad De Levende Natuur dat het Naardermeer in handen zou moeten komen van een 'wetenschappelijke corporatie'. Het plassengebied zou 'een openlucht-museum en laboratorium' moeten worden waar het gehele Nederlandse volk van zouden kunnen genieten. Enkele maanden later werd Natuurmonumenten opgericht en reeds het jaar daarop kon het Naardermeer worden aangekocht. Het oudste Nederlandse natuurmonument geldt nog steeds als het paradepaardje van de vereniging. Marga Coesèl Bron: Bionieuws / november 2004.
|